Het dier in de muziek

Morgen is het 4 oktober, Werelddierendag. Daarom aandacht voor 'het dier in de muziek', want vanaf de Middeleeuwen tot aan de huidige tijd werden dieren veelvuldig in muziek uitgebeeld. Denk bijvoorbeeld aan de zwaan in Saint-Saëns' Carnaval des animaux, of de kraaiende haan in de Matthäus Passion van Bach, of de brullende leeuw in Die Schöpfung van Haydn. Zo kunnen er nog een paar honderd andere voorbeelden gegeven worden. Voor de componist is het dier eeuwenlang een dankbaar onderwerp geweest juist vanwege het 'geluid' dat het voortbrengt. Maar ook zónder het geluid van dieren te imiteren, wisten componisten in het verleden vele dieren uit te beelden.

Op de volgende drie manieren kan het dier in een muzikale compositie tot leven worden gewekt:

  • door het geluid van het dier op een muziekinstrument te imiteren: het balken van een ezel en het blèren van schapen, in het symfonisch gedicht Don Quichotte van Richard Strauss; de zang van vogels in de 'Szene am Bach', het tweede deel van de Zesde Symfonie van Ludwig van Beethoven; of het gekwetter van vogels bij zonsopgang, in het ballet Daphne et Chloë van Maurice Ravel;       
  • door de beweging van het dier met muziekinstrumenten uit te beelden: het springen van vlooien in Beethovens lied Der Floh; de flinke sprongen van de kangoeroe in de Carnaval des animaux; de vliegbeweging van de libelle in Die Libelle (op. 204, polka mazur) van Josef Strauss; het rondzwalken van de kraai in de liederencyclus 'Winterreise' van Franz Schubert; de kronkelende gang van de slang (Bachs Matthäus Passion), of van het grote zeedier in Die Schöpfung. De beweging van de dieren is vaak duidelijk in de muziekpartituur te zien;       
  • door een muziekinstrument te gebruiken dat passend is bij de omvang van het dier: een fluit of piccolo bij de uitbeelding van een vogel; de donkere en dreigende klanken van een aantal hoorns, de uitbeelding van de wolf (beide in Peter en de Wolf van Sergej Prokofiew); een contrabas bij de olifant in Carnaval des animaux.

Soms klinkt een heel koor van dieren, zoals in het beroemde Contrapunto bestiale alla mente (1608) van Adriano Banchieri (1568-1634). Boven een Latijnse nonsense tekst zijn een kat, een hond, een koekoek en een eend te horen:

 «»«»«»«»«»«»«»«»«»«»«»«»

wunderhornTot slot het humoristische volksliedje Lob des hohen Verstands, lied nr.10 uit Lieder aus des Knaben Wunderhorn van Gustav Mahler, waarin een koekoek en een nachtegaal een zangcompetitie met elkaar aangaan. De ezel treedt als jurylid op en stelt vast wie van hen het beste zingt. De tekst en muziek is als volgt:

Einstmals in einem tiefen Tal
Kukuk und Nachtigall
Täten ein Wett' anschlagen:
Zu singen um das Meisterstück,
Gewinn' es Kunst, gewinn' es Glück:
Dank soll er davon tragen.

Der Kukuk sprach: "So dir's gefällt,
Hab' ich den Richter wählt",
Und tät gleich den Esel ernennen.
"Denn weil er hat zwei Ohren groß,
So kann er hören desto bos
Und, was recht ist, kennen!"

Sie flogen vor den Richter bald.
Wie dem die Sache ward erzählt,
Schuf er, sie sollten singen.
Die Nachtigall sang lieblich aus!
Der Esel sprach: "Du machst mir's kraus!
Du machst mir's kraus! I-ja! I-ja!
Ich kann's in Kopf nicht bringen!"

Der Kukuk drauf fing an geschwind
Sein Sang durch Terz und Quart und Quint.
Dem Esel g'fiels, er sprach nur
"Wart! Wart! Wart! Dein Urteil will ich sprechen,
Wohl sungen hast du, Nachtigall!
Aber Kukuk, singst gut Choral!

Und hältst den Takt fein innen!
Das sprech' ich nach mein' hoh'n Verstand!
Und kost' es gleich ein ganzes Land,
So laß ich's dich gewinnen!"